Onderhandelaarsakkoord tussen PO-raad en vakorganisaties op 2 juli 2014. Zekerheid over WW en WOPO per 1 januari 2015!

Er is een onderhandelaarsakkoord tussen PO-raad en vakorganisaties op 2 juli 2014 tot stand gekomen ten aanzien van de CAO-PO 2014, die zal gelden tot 1 juli 2015. cao_po_onderhandelaarsakkoord

Op 1 juli 2015 wordt de Wet Werk en Zekerheid van kracht met grote consequenties voor het arbeidsrecht. Ten aanzien van de WW en WOPO hebben de onderhandelingspartners het volgende afgesproken:

g.8. Werkgroep Sociale Zekerheid
Er wordt een werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van PO-Raad en bonden, met als opdracht om voor 1 januari 2015 te komen met een samenhangend voorstel met betrekking tot de volgende onderwerpen:
WW
De gevolgen van het sociaal akkoord van april 2013 voor de cao-po. Het SER-advies ‘Rol sociale partners bij toekomstige arbeidsmarktinfrastructuur en inrichting WW’ wordt hierbij betrokken.
WOPO
Hoe de verschuiving van de AOW-leeftijd in de WOPO kan worden opgenomen. De kosten worden hierbij betrokken.

Het is dus nog onzeker wat er met de WOPO zal gebeuren. Wel is duidelijk, dat er per 1 januari 2015 zekerheid zal bestaan over de WOPO-rechten van het onderwijspersoneel in het PO.

Kantonrechter past CRvB-formule toe bij ontbinding arbeidsovereenkomst in het VO

Op 29 april 2014 heeft de CRvB-formule navolging gekregen in een civiele ontslagzaak. Het betrof een verzoek van de Stichting Achterhoek Voortgezet Onderwijs aan de Rechtbank Gelderland om de arbeidsovereenkomst met een docent Lichamelijke Opvoeding en Techniek te ontbinden. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden maar meende dat het schoolbestuur wel enig verwijt trof. Om die reden kende hij de docent een vergoeding toe. Voor de berekening van de hoogte van deze vergoeding is aansluiting gezocht bij de CRvB-formule (zie Centrale Raad van Beroep (CRvB) 28 februari 2013; ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043 en ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2044). Toepassing van de in het bedrijfsleven gebruikelijke kantonrechtersformule achtte de kantonrechter niet passend omdat de docent aanspraak kon maken op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Lees meer…

(Rechtbank Gelderland, kantonrechter, locatie Zutphen, 29 april 2014; JAR 2014/167).

Kantonrechtersformule in onderwijszaken

Dat de kantonrechtersformule niet geschikt zou zijn om als maatstaf te dienen voor de berekening van de ontbindingsvergoeding in onderwijszaken, is in het verleden niet door alle kantonrechters gedeeld. Er zijn legio voorbeelden te noemen waarin de kantonrechter de formule ook in onderwijskwesties heeft toegepast. O.a.: Rechtbank Midden-Nederland 10 april 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ8121; Rechtbank Utrecht 10 september 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6451; Rechtbank Maastricht 29 oktober 2008, ECLI:NL:2008:RMMAA:BG4362. Veel meer zal een rol gespeeld hebben dat de kantonrechter tot uitdrukking heeft willen brengen dat het schoolbestuur naar zijn mening een meer dan relevant verwijt trof (C=0,5), zonder dat dit zou moeten leiden tot een vergoeding, die, samen met de aanspraken op een bovenwettelijke uitkering, bovenmatig zou worden.

CRvB-formule

Zoals bekend, hanteert de CRvB net als de kantonrechter, een formule die gebaseerd is op een factor dienstjaren, vermenigvuldigd met het bruto maandsalaris, waarop vervolgens een correctiefactor wordt toegepast (aandeel werkgever; C=0,5; 0,75 of 1). Een van de belangrijke verschillen is echter dat in de formule van de CRvB het aantal dienstjaren door twee wordt gedeeld voordat vermenigvuldiging met het salaris plaatsvindt.

De docent, geboren in 1957, was al vanaf 1978 in dienst bij het schoolbestuur. Toepassing van de kantonrechtersformule had dan ook geleid tot een vergoeding die minstens vier maal hoger was uitgevallen. Uitgaande van een rechtens relevant verwijt, had de kantonrechter immers niet gekozen voor een correctiefactor C=1 (neutraal/geen verwijt), maar voor C>1. Met de CRvB-formule is dus een matiging van de vergoeding gerealiseerd.

De motivering van de CRvB om de factor dienstjaren in zijn formule door twee te delen is gelegen in de voor ambtenaren geldende bovenwettelijke voorzieningen, waaronder de na-wettelijke uitkering. Deze voorzieningen gaven aanleiding een matiging aan te brengen van 50% op de factor dienstjaren (zie ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043). Ook binnen het onderwijs gelden bovenwettelijke werkloosheidsvoorzieningen. Matiging van de ontbindingsvergoeding om deze reden komt regelmatig voor. O.a.: Rechtbank Rotterdam 3 maart 2005, ECLI:NL:RBROT:2005:AY6908; Rechtbank Amsterdam 11 juli 2011, LJN: ECLI:NL:2011:RBAMS:BT2731. In de hiervóór genoemde uitspraak van de Rechtbank Utrecht werd in het geheel geen ontbindingsvergoeding toegekend, juist vanwege de aanspraken op een bovenwettelijke uitkering.

Onderwijssector
In de uitspraken van de kantonrechter ontbrak veelal een objectieve maatstaf voor de omvang van de matiging. Met de rechtstreekse toepassing van de CRvB-formule is dat tijdperk nu mogelijk afgesloten. Werkgevers en werknemers binnen de onderwijssector Werkgevers en werknemers binnen de onderwijssector weten voor de toekomst beter waar zij bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rekening mee kunnen houden.

WWZ-wijzigingen van 1 juli 2014 uitgesteld naar 1 januari 2015

Bij gelegenheid van de behandeling in de Eerste Kamer heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd de met ingang van 1 juli aanstaande beoogde wijzigingen van het ontslagrecht (onderdeel van het wetsvoorstel Werk en Zekerheid, WWZ) uit te stellen. Het gaat daarbij om de aanzegtermijn, de proeftijd en het concurrentiebeding.

Voor het onderwijs is in dit verband vooral de aanzegtermijn van belang:

Aanzegtermijn
Er geldt een aanzegtermijn van een maand bij tijdelijke contracten. Bij contracten voor een bepaalde tijd van zes maanden of langer moet de werkgever uiterlijk een maand voor het einde van het contract schriftelijk aan de werknemer laten weten of hij het contract wel of niet verlengt. Als de werkgever dit verzuimt, betaalt hij een vergoeding ter hoogte van één maandloon.