Afspraken CAO-onderhandelingspartners m.b.t. budgetneutrale uitkering transitievergoeding

Op grond van onderstaande brief van 4 november jl. van de CAO-onderhandelingspartners in het primair onderwijs is het duidelijk dat beoogd wordt om de uitkering van de verplichte transitievergoedingen onder de CAO-PO 2016 budgetneutraal in te voeren. Zij zeggen: “De Wet Werk en Zekerheid legt werkgevers bij ontslag de verplichting van een transitievergoeding op. Door de bestaande bovenwettelijke uitkeringen (WOPO) werkt de introductie van de transitievergoeding zonder aanvullende afspraken als kostenverhogend. Sociale partners zullen daarom afspraken maken in de CAO-PO 2016 die ervoor zorgen dat op 1 juli 2016 de transitievergoeding budgetneutraal wordt ingepast in een nieuw stelsel van sociale zekerheid.

afspraak_20151104_poraad_cnvo_fvov_avs

Wij vragen ons af hoe de uitkering van de transitievergoeding bij ontslag wegens arbeidsongeschiktheid budgetneutraal kan worden ingepast, zodat de gelijke bekostiging en gelijke rechtspositie van openbaar en bijzonder onderwijs in stand wordt gelaten.

Vragen naar aanleiding van standpunt PO-raad: uitkering transitievergoeding bij ontslag wegens arbeidsongeschiktheid.

Geachte mevrouw Bonke, beste Ellen,

Bedankt voor je snelle reactie. Het standpunt van de PO-raad, dat overigens volstrekt helder is, roept wel veel vragen op. Door dit standpunt is elk schoolbestuur in het bijzonder onderwijs verplicht om de transitievergoeding uit te keren aan een personeelslid bij ontslag wegens arbeidsongeschiktheid, hoewel daarvoor voorzover mij bekend geen bekostiging is via het Ministerie van OC en W. De positie van een schoolbestuur in een door een personeelslid aan te spannen procedure, indien de transitievergoeding niet wordt uitgekeerd, is met dit standpunt van de PO-raad immers kansloos.

Heeft de PO-raad zich bij het betrekken van dit standpunt rekenschap gegeven van de grondwettelijke gelijke bekostiging van het openbaar en het bijzonder onderwijs met gelijke rechten voor het onderwijspersoneel van beide grondslagen? Heeft de PO-raad geregeld, dat het bijzonder onderwijs in de bekostiging door de Rijksoverheid gecompenseerd wordt voor de extra kosten als gevolg van het moeten betalen van een transitievergoeding aan onderwijspersoneel in het bijzonder onderwijs dat wegens arbeidsongeschiktheid wordt ontslagen? Is het fair, dat een werknemer in het Openbaar Onderwijs bij ontslag wegens arbeidsongeschiktheid niets krijgt en een werknemer in het bijzonder onderwijs wel?

Kunt u zich voorstellen, dat het moeten uitkeren aan een fulltimer in het bijzonder onderwijs van 55 jaar van € 75.000,- aan transitievergoeding bij een ontslag wegens arbeidsongeschiktheid voor een klein schoolbestuur, tot financiële problemen kan leiden, zeker als dit voor meerdere personeelsleden zou gelden? Wat is volgens de PO-raad dan de oplossing?

Heeft de PO-raad (en ook de VO-raad) bij Minister Asscher de gelijke bekostiging aan de orde gesteld bij de totstandkoming van het Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding? Zoneen, waarom niet? Het bijzonder onderwijs moet zonder daarvoor bekostiging te krijgen, gedurende tenminste 1 jaar zonder dat de nog steeds van toepassing zijnde CAO-PO en CAO-VO rekening gehouden hebben met de WWZ, de lasten dragen van een transitievergoeding bij ontslag wegens arbeidsongeschiktheid van veelal oudere werknemers. Die last drukt niet op het Openbaar Onderwijs.

Nu er wel een akkoord is tussen de onderhandelingspartners, dat de WWZ budgetneutraal moet worden ingevoerd in de CAO-PO 2016, betekent dit dan ook dat het moeten betalen van een transitievergoeding op grond van de WWZ bij een ontslag wegens arbeidsongeschiktheid budgetneutraal zal zijn voor het bijzonder onderwijs ten opzichte van de situatie van vóór 1 juli 2015? Hoe zou dat geregeld kunnen worden? Hoe wordt het personeel van het openbaar onderwijs dan gecompenseerd? Wat is hierin de rol van de Rijksoverheid in het kader van de gelijke bekostiging of moeten de onderhandelingspartners dit probleem zelf in het kader van de CAO-PO oplossen?

De planning was, dat per 1 januari 2015 de rechtspositie van de ambtenaar zou zijn geharmoniseerd met de werknemers in het bedrijfsleven. Die planning is duidelijk niet gehaald. Vervolgens ging men uit van 1 januari 2017 en nu gaat men al uit van 1 januari 2018. De behandeling van het wetsvoorstel Normalisering Rechtspositie Ambtenaren stokt op dit moment in de Eerste Kamer. Het zal dus nog wel even duren voordat het personeel in het openbaar onderwijs ook onder de WWZ zal vallen.

Graag uw reactie.

Met vriendelijke groet,

mevr. mr A.A.C. Schouten

Standpunt PO-raad: 

Van: Ellen Bonke <e.bonke@poraad.nl>
Datum: woensdag, 11 november 2015 10:41
Aan: Angela Schouten <angela.schouten@gmail.com>
CC: Hugo Levie <h.levie@poraad.nl>, Gemma Hufen <g.hufen@poraad.nl>
Onderwerp: RE: SPOED! Wenselijkheid standpunt PO-raad m.b.t. Vrijstelling van uitbetaling transitievergoeding op basis van het Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding van 23 april 2015 zolang de huidige CAO-PO en CAO-VO nog gelden [D100224-723713]

Dag mevrouw Schouten,

 

Dank voor uw e-mail, wij hopen met onderstaande informatie uw vragen en onduidelijkheden te adresseren.

 

Op Mijn PO-Raad is een tijd geleden onderstaand artikel gepubliceerd. Dit artikel gaat in op de vragen die u stelt.

 

Transitievergoeding

Als een dienstverband op of na 1 juli 2015 op initiatief van de werkgever wordt beëindigd of niet wordt voortgezet en twee jaar of langer heeft geduurd, dient in principe een vergoeding te worden betaald. De hoogte van die vergoeding is afhankelijk van de duur van de arbeidsovereenkomst en het salaris van de medewerker. De vuistregel is dat de transitievergoeding 1/3de maandsalaris per dienstjaar bij het schoolbestuur bedraagt.

Overgangsrecht

Op 11 mei 2015 is het Besluit overgangsrecht transitievergoeding in het Staatsblad gepubliceerd. Dit besluit heeft als doel dubbele betalingen bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst te voorkomen. Het is van toepassing als afspraken over vergoedingen en voorzieningen, zoals de wachtgeldregeling en de bovenwettelijke uitkering, definitief zijn aangegaan voor 1 juli 2015 en de werknemer bij beëindiging van het dienstverband daaraan op 1 juli 2015 rechten kan ontlenen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee situaties:

  • Lopende collectieve afspraken met verenigingen van werknemers, waarbij het uitgangspunt is dat de transitievergoeding niet verschuldigd is.
  • Overige afspraken over vergoedingen of voorzieningen. Omdat deze situatie niet of nauwelijks in het primair onderwijs voorkomt, wordt alleen de eerste situatie behandeld.

Situatie

Op dit moment is er een lopende collectieve afspraak met verenigingen van werknemers, namelijk de Werkloosheidsregeling onderwijspersoneel primair onderwijs (WOPO). Het uitgangspunt is dat de transitievergoeding niet verschuldigd is omdat er sprake is van een collectieve afspraak. In de overgangsregeling zoals die nu luidt, wordt er telkens gesproken over ‘het recht van de werknemer’. Er zullen gevallen denkbaar zijn dat werknemers in het PO waarvan de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd of niet wordt voortgezet géén recht op de WOPO hebben en wél voor de transitievergoeding in aanmerking komen. Dat er sprake is van een collectieve afspraak wil dus niet automatisch zeggen dat de werkgever aan de werknemer geen transitievergoeding is verschuldigd. Per individuele werknemer zal dan ook bekeken moeten worden of de werknemer rechten kan ontlenen aan de WOPO. Als dat laatste aan de orde is hoeft de werkgever de transitievergoeding niet te betalen.

Wanneer een cao nawerking heeft of stilzwijgend wordt verlengd blijft het overgangsrecht uit dit Besluit van toepassing. Het overgangsrecht vervalt zodra tussen cao-partijen een nieuwe cao wordt afgesloten maar geldt uiterlijk tot 1 juli 2016. Eindigt de arbeidsovereenkomst na 1 juli 2016 maar is er voor 1 mei 2016 een verzoek om toestemming of ontbinding ingediend, dan blijft het overgangsrecht uit dit Besluit van toepassing.

Verrekenen

Daarnaast is het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding eveneens gepubliceerd in het Staatsblad. Op grond van dit Besluit kunnen – indien de werkgever daartoe vooraf schriftelijk toestemming krijgt van de medewerker – bepaalde kosten die de werkgever maakt met de transitievergoeding verrekend worden. Het gaat dan om zogenaamde transitie- en inzetbaarheidskosten.

Onder transitiekosten wordt verstaan: kosten van maatregelen in verband met het eindigen/niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst, gericht op het voorkomen van werkloosheid/bekorten van periode van werkloosheid van de werknemer. Gedacht moet worden aan kosten voor (om)scholing, outplacementkosten en kosten voor het in acht nemen van een langere dan wettelijke of eerder overeengekomen opzegtermijn waarbij de werknemer vrijgesteld is van alle arbeid om op zoek te gaan naar een andere baan. Het is goed denkbaar dat er een samenloop is van verschillende kosten die in mindering gebracht kunnen worden.

Bij inzetbaarheidskosten gaat het om kosten die zijn gemaakt voor de ontwikkeling van de medewerker buiten de schoolorganisatie (hetgeen het doel dient te zijn). Het gaat dan om kosten die niet langer dan vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop de transitievergoeding verschuldigd is, zijn gemaakt. Als verworven kennis en vaardigheden zijn aangewend om een functie bij de werkgever uit te oefenen, kunnen die gemaakte kosten niet in mindering worden gebracht.

Aan welke voorwaarden dient de werkgever te voldoen zodat de kosten verrekend kunnen worden met de transitievergoeding?

  • de werknemer dient voordat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt schriftelijk in te stemmen met het in mindering brengen van de gespecificeerde kosten. Deze instemming is niet van toepassing als afspraken zijn gemaakt tussen werkgevers(verenigingen) en werknemers(verenigingen) waaraan de werkgever verbonden is, de informatieplicht blijft wel van toepassing. Dit is ook aan de orde als de afspraken met de P(G)MR zijn gemaakt. Het gaat hier om andere collectieve afspraken dan de WOPO;
  • het moet gaan om kosten die door de werkgever zijn gemaakt ten behoeve van de werknemer aan wie de transitievergoeding verschuldigd is;
  • loonkosten kunnen niet in mindering worden gebracht, tenzij het gaat om kosten voor het in acht nemen van een langere dan wettelijke of eerder overeengekomen opzegtermijn waarbij de werknemer vrijgesteld is van werk om op zoek te gaan naar een andere baan;
  • de kosten moeten in een redelijke verhouding staan tot het doel waarvoor deze kosten zijn gemaakt. Dit betekent dat de kosten voor de maatregel niet buitensporig hoog mogen zijn;
  • de kosten zijn gemaakt tijdens of na de periode waarover de transitievergoeding wordt berekend. Dus ook kosten die na het ontslag zijn gemaakt, kunnen in beginsel worden verrekend.

Bovenstaande informatie is in een beslissingsboom verwerkt.

Antwoorden op veel gestelde vragen over de transitievergoeding vindt u hier.

Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

 

Met vriendelijke groet,

 

Ellen Bonke

Juridisch adviseur

 

cid:image001.jpg@01CF3DDA.AF56CD20

 

 

Geacht bestuur van de PO-raad,

Mij en mijn collega’s bereiken veel vragen over de strekking van het Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding van schoolbesturen in het bijzonder onderwijs, vooral waar het gaat om uitkering van transitievergoedingen bij ontslag wegens arbeidsongeschiktheid. Een personeelslid met een lange diensttijd en een hoge werktijdfactor kan bij ontslag wegens arbeidsongeschiktheid € 75.000,- aan transitievergoeding claimen, maar moet die claim ook worden gehonoreerd? Lees meer…

Onlangs was ik aanwezig bij een bijeenkomst van VARO op 10 september jl., waarbij aan de orde kwam of er gelet op het Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding nr. 172 (van 23 april 2015, houdende voorwaarden waaronder de transitievergoeding niet verschuldigd is) een totale vrijstelling zou gelden voor de uitbetaling van de transitievergoeding aan werknemers in het PO en VO ex artikel 2 van genoemd besluit. Dit in verband met de WOPO en WOVO-regelingen voor het onderwijspersoneel in het PO en VO op basis van de nog geldende cao-po en doorlopende cao-vo. Overigens zijn soortgelijke bovenwettelijke uitkeringsregelingen ook aan de orde in de cao’s betrekking hebbend op het MBO, HBO en WO.

Tijdens de discussie op 10 september jl. gaf mr. H. Corten aan, dat OMO uitgaat van een volledige vrijstelling van de uitbetaling van een transitievergoeding aan werknemers, ook als er sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid voor meer dan 35%. Hij gaf aan dat elk personeelslid in principe als rechthebbende geldt op basis van de betreffende cao-vo en dat het geldend maken van dat recht los staat van het rechthebbend zijn op een WOVO-uitkering. Een personeelslid in het onderwijs kan ook geen afstand doen van zijn recht op die vergoedingen en voorzieningen als bedoeld in artikel 3 van genoemd Besluit.

Op dat moment was er nog geen jurisprudentie, die een andere kant uitwijst. Inmiddels is er een uitspraak van de kantonrechter te Den Haag terzake van een werknemer, waartegen de werkgever een ontbindingsprocedure was begonnen voorzover vereist, en waarbij de werknemer intussen een nieuwe baan had. De kantonrechter overwoog, dat omdat betrokken werknemer geen recht kon doen gelden op een WW-uitkering, zij ook geen recht had op de WOVO en dat er dus een transitievergoeding was verschuldigd als bedoeld in de artikelen 673 en 673a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Duidelijk is dat deze kantonrechter kijkt naar rechthebbendheid voorzover het gaat om het recht kunnen laten gelden op een WOVO-uitkering. Zie bijlagen.

Wanneer een zieke werknemer in het bijzonder onderwijs en derhalve vallend onder het BW wegens ziekte kan worden ontslagen bij een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, kan betreffende werknemer ook geen recht doen gelden op de WOVO of WOPO, omdat er geen WW kan worden aangevraagd. Dat zou er derhalve voor pleiten om bij ontslagen wegens arbeidsongeschiktheid de transitievergoeding ex artikel 673 en 673a van Boek 7 BW uit te betalen.

Wat er tegen pleit, is naar mijn mening, dat het openbaar onderwijs niet valt onder het BW en net als onderwijspersoneel in het bijzonder onderwijs recht heeft op WOPO of WOVO op basis van de cao-po en cao-vo, dat er binnen het onderwijs een afweging gemaakt is van de vigerende belangen tussen de organisaties van werkgevers en werknemers resulterend in de betreffende onderwijscao’s, en dat de bijzondere rechtspositie van onderwijspersoneel niet verdraagt, dat er binnen het onderwijs sprake zou zijn van onevenredige bevoordeling van onderwijspersoneel in het bijzonder onderwijs ten opzichte van het openbaar onderwijs. De bekostiging van onderwijspersoneel houdt geen rekening met de financiële verplichtingen die het bijzonder onderwijs zou hebben om enerzijds WOPO en WOVO te bekostigen en ook transitievergoedingen uit te moeten keren aan ontslagen onderwijspersoneel wegens arbeidsongeschiktheid. Dit leidt tot financiële benadeling van de onderwijswerkgevers in het bijzonder onderwijs. Hoe zit het dan met werknemers jonger dan 40 jaar in het bijzonder onderwijs. De WOPO en WOVO zijn dan nauwelijks van enige betekenis.

De uitspraak van 21 september jl. is van een kantonrechter en niet van de Hoge Raad. Welke betekenis moet deze uitspraak krijgen? Het zou de sectorale onderwijsraden sieren als dit soort uitspraken in hoger beroep tot de Hoge Raad worden getoetst, op kosten van de sectorale onderwijsraden, gelet op de belangen van alle bijzondere schoolbesturen. Daarbij is een eigen goed onderbouwde visie en advies aan de schoolbesturen vanuit de sectorale onderwijsraden van groot belang in dit soort zaken. Mij en mijn collega’s bereiken veel vragen van schoolbesturen, die niet weten wat zij moeten doen bij ontslag wegens arbeidsongeschiktheid of wanneer een beëindigingsovereenkomst wordt gesloten met personeel jonger dan 40 jaar.

In principe is elke werknemer in het primair en voortgezet onderwijs rechthebbend op deze cao-voorzieningen, ook al blijft het in het geval er sprake is van een WIA-keuring met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35% of meer een slapend recht. Voor elke onderwijswerknemer wordt premie betaald bij het Participatiefonds,ook al zal dat in die gevallen niet resulteren in een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering op grond van de WOPO of WOVO. De rechtspositie van werknemers in het onderwijs is op basis van de onderwijscao’s gelijk of het nu om bijzonder onderwijs gaat of openbaar onderwijs. Ook de bekostiging van de salarissen is hetzelfde op grond van artikel 23, leden 6 en 7 van de Grondwet en op grond van artikel 120 van de Wet op het Primair Onderwijs.

De WWZ is ingevoerd per 1 juli 2015 terzake van het ontslagrecht. Die wetgeving was niet bekend bij de totstandkoming van de cao-po evenals alle andere onderwijscao’s. De sociale partners zijn er nog niet in geslaagd om een nieuwe cao tot stand te brengen, die rekening houdt met de WWZ. Daarom is het Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding tot stand gekomen, zodat er voor sectoren met een cao, waarin een evenwichtig geheel is opgenomen van vergoedingen en voorzieningen ten behoeve van de rechtspositie van het personeel, zoals het onderwijspersoneel, een vrijstelling geldt. Er is ook geen bekostiging voor vanuit de Rijksoverheid. Het openbaar onderwijspersoneel is ambtenaar en valt niet onder de WWZ. Als het bijzonder onderwijs verplicht zou zijn om transitievergoedingen uit te keren, terwijl het openbaar onderwijs dat niet hoeft te doen, ontstaat er enerzijds ongelijkheid in de rechtspositie van onderwijspersoneel in het bijzonder onderwijs ten opzichte van het openbaar onderwijs. Openbaar onderwijspersoneel wordt dan bij ontslag wegens ziekte onevenredig benadeeld ten opzichte van het bijzonder onderwijspersoneel. Anderzijds worden schoolbesturen in het bijzonder onderwijs financieel benadeeld ten opzichte van het openbaar onderwijs, omdat er geen financiering is door de Rijksoverheid van die transitievergoedingen.

De nieuwe cao-po zal door wijziging van de vergoedingen en voorzieningen de rechtspositie van openbaar onderwijspersoneel en bijzonder onderwijspersoneel gelijk moeten trekken. Zolang dat niet het geval is tot 1 juli 2016, kan er naar mijn oordeel geen sprake zijn van uitkering van transitievergoedingen in het bijzonder onderwijs. Op dit moment heerst er grote onduidelijkheid over de strekking van de vrijstelling van de uitkering van een transitievergoeding voor schoolbesturen in het bijzonder onderwijs op grond van artikel 2, lid 1 van het Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding op basis van de cao-po en de cao-vo voorzover dit personeel haar recht op de bovenwettelijke uitkeringen niet te gelde kan maken bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan wel indien deze uitkeringsrechten gering zijn zoals bij onderwijspersoneel jonger dan 40 jaar.

Een visie van de PO-raad of VO-raad is mij niet bekend daaromtrent, terwijl een duidelijke en onderbouwde visie kan bijdragen aan de rechtsontwikkeling en rechtsvorming voorzover het gaat om ontslag van onderwijspersoneel van het bijzonder onderwijs, vooral wanneer het gaat om ontslag wegens arbeidsongeschiktheid met een percentage van 35% of meer. De heer Corten zal zich op soortgelijke wijze wenden tot de VO-raad.

Ook voor het openbaar onderwijs is het van groot belang dat er geen onderscheid is in de financiële behandeling van onderwijspersoneel in het bijzonder onderwijs en onderwijspersoneel in het openbaar onderwijs. Zowel de kantonrechters als de ambtenarenrechter/CRvB hebben in het verleden aansluiting bij elkaar gezocht terzake van de financiële gevolgen van ontslag/ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerelateerd aan de bovenwettelijke uitkeringen, zodat ook daar de positie van openbaar onderwijspersoneel en bijzonder onderwijspersoneel ongeveer gelijk was. Een ontslagvergoeding bij een ontslag wegens arbeidsongeschiktheid was noch bij een ontslag van openbaar onderwijspersoneel aan de orde, noch bij een ontslag van bijzonder onderwijspersoneel. De WWZ kan dat niet doorbreken, nu er geen cao-po en cao-vo zijn, die rekening konden houden met de WWZ in het belang van een gelijke rechtspositie voor al het onderwijspersoneel. De Grondwet en WPO zijn in verband met de WWZ niet aangepast en al helemaal niet op het terrein van gelijke bekostiging. Ook de vakorganisaties hebben er belang bij dat al het onderwijspersoneel een gelijke financiële behandeling krijgt op basis van de bekostiging van het onderwijs.

Gelet op de vergrijzing in het onderwijs als gevolg van het afvloeiingsbeginsel LIFO, nog versterkt door de nog steeds dalende leerlingaantallen in veel regio’s in Nederland is het van groot belang, dat het bijzonder onderwijs, zolang de huidige cao-po en cao-vo gelden, geen hoge kosten moet maken aan transitievergoedingen bij ontslag van onderwijspersoneel wegens arbeidsongeschiktheid, waarvoor er geen bekostiging is verstrekt door de Rijksoverheid.

Ik verwacht dat in een eventuele gerechtelijke procedure dit standpunt, indien dat ook door de sectorale onderwijsraden wordt uitgedragen, kan leiden tot een gunstige interpretatie van artikel 2, lid 1 Besluit Overgangsrecht Transitievergoeding door de burgerlijke rechter.

Graag zo spoedig mogelijk van u vernemend,

Met vriendelijke groet,

mevr. mr A.A.C. Schouten

CRVB: matiging kantonrechtersformule door bovenwettelijke werkloosheidsuitkering tot maximaal C=1

Jurisprudentie van de hoogste ambtenarenrechter (Centrale Raad van Beroep) van 28 februari 2013 in een ontslagzaak van een leerkracht in het openbaar onderwijs geeft aan, dat de kantonrechtersformule, zoals die in het bedrijfsleven wordt toegepast in ontbindingsprocedures, redelijkerwijs niet kan worden toegepast in de onderwijssector met haar bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. De CRVB heeft daarom haar eigen ontslagvergoedingsformule ontwikkeld. Ook indien de werkgever voor 80% verwijtbaar jegens de werknemer heeft gehandeld, leidt tot toepassing van maximaal factor C=1. Lees meer…