Veranderingen in de bekostiging van WW en WOPO door Participatiefonds in 2020

Hogere WW- en WOPO-kosten voor onderwijswerkgever

Onlangs deed het Participatiefonds zijn plannen voor modernisering in 2020 uit de doeken. Die zullen voor onderwijsbestuurders of leidinggevenden in het primair of (voortgezet) speciaal onderwijs wellicht even schrikken zijn. Let goed op, want elk personeelslid dat u vandaag aanneemt, valt straks ook onder deze nieuwe regels.

Lees meer…

De toekomstplannen zijn aangekondigd in een brief van onderwijsminister Slob aan de Tweede Kamer in november 2018. Zie hier voor de integrale tekst van deze brief. De achtergrond van de verandering is dat het huidige systeem onvoldoende prikkels kent om onnodige instroom in de WW te voorkomen. De instroom (en dus de uitkeringslasten) is hierdoor hoog, hetgeen dus ook een hoge premie voor het Participatiefonds (Pf) tot gevolg heeft (zie ook het kader onderaan de tekst voor meer uitleg over wat het Participatiefonds doet).

Enerzijds is het dus de taak van het bestuur van het Pf om de instroom in de WW [en bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen] te beperken, en anderzijds is de doelstelling om het aantal administratieve barrières waarmee onderwijswerkgevers te maken hebben, te beperken. Omdat er voor de volledige opheffing van het Pf bij sociale partners geen meerderheid te vinden is, is geopteerd voor een sterke vereenvoudiging van de vergoedingssystematiek.

Wijzigingen op een rij

Dit zijn de belangrijkste wijzigingen:

  1. Schoolbesturen betalen in beginsel 50% van de uitkeringslasten voortvloeiend uit een ontslag of niet-voortzetting van een arbeidsovereenkomst zelf.
  2. In een beperkt aantal gevallen zijn de eigen kosten voor het schoolbestuur beperkt tot 10%:
  • bedrijfseconomisch ontslag met goedkeuring van UWV of een vervangende toets door het Pf;
  • ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter;
  • beëindiging van een vervangingsbetrekking.
    Het schoolbestuur dient hierbij ook aan te tonen dat de werknemer voldoende is ondersteund om werk te vinden buiten de eigen organisatie.
  1. Voor alle vaststellingsovereenkomsten, behalve wegens bedrijfseconomisch ontslag, geldt dat het percentage van de uitkeringslasten dat voor rekening van het schoolbestuur komt steeds 50% is. Ook bij iedere beëindiging van een tijdelijk contract, anders dan wegens vervanging, geldt dit. Het maakt dan ook niet uit of er wel of niet een vergoedingsverzoek wordt ingediend. Ook als dat niet gebeurt, geldt nog steeds het percentage van 50%.
  2. De uitkeringslasten die voor rekening van het schoolbestuur zelf komen, worden niet meer door DUO op de lumpsumbekostiging ingehouden, maar worden door het Pf zelf aan de schoolbesturen gefactureerd.
  3. Het Pf gaat werkloze onderwijswerknemers actief begeleiden om weer snel en duurzaam aan een baan te komen. Zo wil het Pf enerzijds werkloosheidskosten (en dus de hoogte van de premie) beperken en anderzijds bijdragen aan het terugdringen van het lerarentekort. Het Pf wil hiermee binnen twee jaar 1.000 werkloze leraren weer aan de slag krijgen.

Ingangsdatum

De ingangsdatum van de wijzigingen is nog onzeker, maar gemeld wordt dat 1 augustus 2020 de vroegst haalbare datum is. Daarmee lijkt het eerder gecommuniceerde plan om de wijzigingen op 1 januari 2020 in te laten gaan, van de baan. De invoeringsdatum is mede afhankelijk van de invoeringsdatum van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren, waarmee alle werknemers in het openbaar onderwijs onder het private arbeidsrecht worden gebracht.

Aannamebeleid

Omdat een schoolbestuur door deze wijzigingen straks voor aanzienlijke kosten kan komen te staan wegens eigenrisicodragerschap van de WW, zal een budgetbewust schoolbestuur geneigd zijn goed op te letten wanneer dat eigen risico wel en niet ontstaat. Dat begint natuurlijk bij het aannamebeleid. Wie bijvoorbeeld een leraar aanneemt die op het moment al een poosje in de WW zit, doet er verstandig aan deze leraar een tijdelijk contract van minder dan 6 maanden aan te bieden, omdat er dan in beginsel geen WW-recht ontstaat waarvoor het schoolbestuur het eigenrisicodragerschap heeft.

Werknemers met een lang arbeidsverleden zullen om spiegelbeeldige redenen mogelijk moeilijker kunnen overstappen naar een baan bij een ander schoolbestuur. Heeft een leraar dertig jaar bij schoolbestuur A gewerkt en aansluitend slechts één dag bij schoolbestuur B, dan is schoolbestuur B toch de eigenrisicodrager voor de totale WW-uitkeringskosten wanneer de arbeidsovereenkomst bij B eindigt. Mogelijk biedt een goed assessment of een detacheringsperiode in dergelijke gevallen een oplossing.

Onderwijskwaliteit en -continuïteit worden door deze nieuwe regels in een rechtstreekse tegenstelling geplaatst met budgetbewust handelen van schoolbesturen. Wie immers in hoge nood een lege plek in de formatie wil opvullen, loopt een fors risico met de sollicitant de spreekwoordelijke kat in de zak te kopen, die (tenzij het een vervanging betreft) alleen tegen hoge WW-lasten weer kan afvloeien. Een vervangingsperiode wordt nu al vaak als proeftijd benut en dat zal onder de nieuwe regels niet afnemen.

Forse kostenpost

Omdat het heel kostbaar wordt om oudere werknemers met een lange onderwijsdiensttijd in de WW te laten instromen, neemt het belang van goed leeftijdsbewust personeelsbeleid verder toe. Ook de prikkel om een langdurig arbeidsongeschikte werknemer, die vanwege een laag arbeidsongeschiktheidspercentage geen WIA-uitkering krijgt, binnen de eigen organisatie of elders weer aan het werk te krijgen, neemt verder toe. Dat zijn ontwikkelingen die op zichzelf zijn toe te juichen.

Niettemin, het kan en zal niet altijd goed gaan. Gezien de soms nog forse bovenwettelijke uitkeringen waarvan het schoolbestuur straks in de meeste gevallen 50% betaalt, kan één geval van WW-instroom voor een schoolbestuur leiden tot een kostenpost van in totaal vele tienduizenden euro’s. Voor vooral kleinere schoolbesturen kan dat een molensteen zijn die zij maar moeilijk kunnen meetorsen.

Voor de rechter

Een laatste effect van de Pf-wijzigingen is dat problemen tussen de onderwijswerkgever en -werknemer die nu door beëindiging met een vaststellingsovereenkomst worden geregeld, vaker voor de rechter zullen worden uitgevochten. Het schoolbestuur heeft namelijk baat bij een uitspraak van de rechter in plaats van een vaststellingsovereenkomst, aangezien alleen een ontbindingsbeschikking van de kantonrechter leidt tot een lagere WW-last (10%). Zelfs wanneer beide partijen aan de hand van opmerkingen van de kantonrechter ter zitting tot het inzicht komen dat het beter is de zaak te schikken (de zogenaamde schikking ter zitting), zal een schoolbestuur er naar de letter van de huidige Pf-plannen niet op kunnen rekenen dat het Pf bereid is 90% in plaats van 50% van de uitkeringskosten te dragen. Anders gezegd: de plannen van het Pf en minister Slob drijven schoolbesturen tot een onverzoenlijke opstelling tegenover een werknemer waar zij vanaf willen en in de armen van de kantonrechter. Dat is ongetwijfeld niet de bedoeling van deze plannen, maar naar alle waarschijnlijkheid wel het gevolg.

———————————————————-

Wat doet het Participatiefonds?

In allerlei situaties kunnen (oud)werknemers recht hebben op een uitkering. Die uitkering moet natuurlijk ergens van betaald worden. Zo ook de WW-uitkering. In de onderwijssector is de WW-uitkering een stuk duurder dan in veel andere branches, omdat een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering van toepassing is die werknemers vaak recht geeft op een (veel) langere uitkering dan de reguliere WW.

Werkgevers in de onderwijssector zijn verplicht eigenrisicodrager voor de WW. Dat betekent dat de uitkeringskosten voortvloeiend uit de beëindiging van het dienstverband van een werknemer van een schoolbestuur, voor rekening van dat schoolbestuur komen. Schoolbesturen in de sectoren PO en (V)SO zijn echter ook verplicht aangesloten bij het Participatiefonds (Pf). Dit fonds is een zogenaamd Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO) dat wordt bestuurd door vertegenwoordigers van de PO-Raad en van de vakbonden.

Schoolbesturen betalen premie aan het Pf en het Pf vergoedt onder voorwaarden, opgenomen in haar reglement, de uitkeringskosten voortvloeiend uit de werkloosheid van een voormalige werknemer. Daarnaast begeleidt het Pf werklozen bij hun re-integratie. Het reglement van het Pf wordt jaarlijks vastgesteld en heeft een looptijd van 1 augustus tot 1 augustus, maar is al sinds jaar en dag ongeveer gelijk. Een werkgever dient na een ontslag of een einde van een tijdelijk dienstverband een vergoedingsverzoek in bij het Pf, dat het verzoek toetst aan de voorwaarden van het reglement. In veel gevallen neemt het Pf 100% van de uitkeringskosten voor haar rekening, maar als het verzoek wordt afgekeurd, komen alle kosten voor rekening van de werkgever zelf. Deze kosten worden dan ingehouden op de rijksbekostiging voor het schoolbestuur. Per uitkeringsgerechtigde kan dit om tonnen gaan. In 2020 gaat dit systeem drastisch veranderen.

door Bas Vorstermans, Cascade Advocaten, 1 februari 2019

De WNT en de bestuurder in het primair onderwijs 2019

Wet Compensatie Transitievergoeding (11 juli 2018) treedt in werking op een bij KB te bepalen tijdstip. Nu alvast daarop anticiperen! Lees hoe.

Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid (Wet Compensatie Transitievergoeding) is tot stand gekomen op 11 juli 2018, nadat deze Wet op 10 juli 2018 door de Eerste Kamer als hamerstuk is afgedaan. Zie voor de tekst:  Wet Compensatie Transitievergoeding, juli 2018.

Deze Wet, die van groot belang is voor het Bijzonder Onderwijs, treedt in werking op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lees meer…

Sinds 1 juli 2015 heeft een werknemer recht op een transitievergoeding als zijn arbeidsovereenkomst minimaal twee jaar heeft geduurd en deze door of vanwege de werkgever wordt beëindigd. De vergoeding is bedoeld ter compensatie van het ontslag en om de overgang (‘transitie’) naar ander werk te vergemakkelijken. De transitievergoeding is ook verschuldigd bij een ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid (in de regel na twee jaar ziekte).

Veel werkgevers ervaren de verplichting om een transitievergoeding te betalen bij een ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid als onrechtvaardig. Dat komt met name voort uit het feit dat ze tijdens de eerste twee ziektejaren ook al minimaal 70% van het loon moeten doorbetalen en ze daarnaast kosten maken voor re-integratie van de arbeidsongeschikte werknemer. Deze signalen van ervaren onrechtvaardigheid vormde aanleiding voor de voormalige regering om te bezien of en hoe de huidige wetgeving aanpassing verdient.

De voormalige regering koos uiteindelijk voor een wetsvoorstel met een vergoedingsregeling: werkgevers die werknemers wegens langdurige arbeidsongeschiktheid ontslaan en dientengevolge een transitievergoeding verschuldigd zijn, krijgen compensatie voor het betalen van die vergoeding. Het wetsvoorstel dat deze vergoedingsregeling nader uitwerkt is op 20 maart 2017 bij de Tweede Kamer ingediend.

Op 5 juli 2018 is het wetsvoorstel door de Tweede Kamer als hamerstuk afgedaan. Vervolgens heeft de Eerste Kamer het voorstel op 10 juli 2018 als hamerstuk afgedaan. De fractie van GroenLinks in de Eerste Kamer heeft nog wel om verduidelijking bij de minister gevraagd ter zake de vraag of de compensatie geldt voor alle werkgevers, of dat er een grens is aan de omvang van een onderneming om voor de compensatie in aanmerking te komen. Ik spreek hier voor mijn beurt, maar het antwoord hierop zal vermoedelijk zijn dat de compensatie voor alle werkgevers geldt. In de parlementaire stukken zie ik namelijk nergens een aanknopingspunt voor een andersluidend antwoord.

Uitgangspunten nieuwe regeling

De nieuwe regeling kent de volgende belangrijke uitgangspunten:

– Werkgevers ontvangen compensatie voor (in beginsel) de betaalde transitievergoeding. Daarnaast worden ze gecompenseerd voor eventuele transitie- en inzetbaarheidskosten die ze op de transitievergoeding in mindering gebracht hebben.

– UWV verstrekt de compensatie, inclusief de bijbehorende uitvoeringskosten, vanuit het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf). Daar staat een verhoging van de (uniforme) premie tegenover. Ook zal er in overleg met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een rijksbijdrage in het Awf worden gestort, zodat ook de onderwijssector een beroep kan doen op het Algemeen Werkloosheidsfonds.

– De vergoedingsregeling maakt geen onderscheid op basis van de aard van de arbeidsovereenkomst (bepaalde tijd of onbepaalde tijd).

– De vergoedingsregeling maakt geen onderscheid op basis van de beëindigingswijze van de arbeidsovereenkomst. De regeling is toepasselijk bij eenzijdig ontslag (via UWV/kantonrechter) of ontslag in samenspraak (instemming met opzegging/beëindigingsovereenkomst), zo lang het ontslag maar plaatsvindt wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

– De vergoedingsregeling bevat een aantal beperkingen voor de hoogte van de compensatie die de werkgever krijgt. Ten eerste wordt niet meer compensatie verstrekt dan de hoogte van de transitievergoeding waar een werknemer recht op zou hebben op het moment dat de periode van verplichte loondoorbetaling eindigt. Ten tweede bedraagt de compensatie niet meer dan het bedrag van het betaalde brutoloon tijdens de ziekte van de werknemer (dus exclusief werkgeverslasten). Tot slot wordt een eventuele periode van een verlengde loondoorbetalingsplicht vanwege een opgelegde loonsanctie niet meegenomen bij de berekening van de compensatiehoogte.

– UWV beslist over de aanvraag voor compensatie

– De vergoedingsregeling krijgt terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2015.

Kort en goed heeft het wetsvoorstel een tweetal doelen. Allereerst het voorkomen van een cumulatie van kosten (loondoorbetaling en re-integratiekosten bij arbeidsongeschiktheid gedurende het dienstverband en een vergoeding bij ontslag wegens deze arbeidsongeschiktheid). Ten tweede wordt beoogd dat werkgevers in de toekomst niet of minder gebruik zullen maken van de constructie van ‘slapende dienstverbanden’.

Inwerkingstredingsdatum

De Koning en de minister moeten de wet nog ondertekenen en de minister van Justitie dient nog vervolgens voor bekendmaking van de wet te zorgen (door plaatsing in het Staatsblad). De beoogde inwerkingstredingsdatum is een aantal maal opgeschoven, laatstelijk naar 1 april 2020.

Speel alvast in op de aankomende wetswijziging!

In de kern kan een schoolbestuur (werkgever) op een tweetal manieren omgaan met een langdurig zieke werknemer: het dienstverband voortzetten of tot ontslag overgaan (verondersteld dat aan alle eisen voor ontslag wordt voldaan). Beide handelswijzen hebben voordelen en nadelen. Wij helpen u graag bij het maken van een afweging hierin.

Voor wat betreft de gevallen waarin tot een beëindiging wordt gekomen: UWV zal gaan beslissen over de aanvraag voor compensatie. Bij ministeriele regeling zullen uitvoeringsregels worden opgesteld, met verduidelijkingen voor wat betreft de procedure, de termijn waarbinnen de werkgever een aanvraag moet doen, de termijn waarbinnen UWV moet beslissen op een aanvraag, toekenningsregels, et cetera. UWV zal een aanvraagformulier beschikbaar stellen waarmee werkgevers compensatie kunnen aanvragen. Daar zullen we nog even op moeten wachten.

Stilzitten is echter niet nodig. Reeds op dit moment kunt u als schoolbestuur al inspelen op de verandering die gaat komen. Dat loont, met name omdat de wet terugwerkende kracht zal krijgen tot en met 1 juli 2015. Aan de hand van de voorgestelde nieuwe wettekst (artikel 7:673e BW) en toelichtende kamerstukken bij het wetsvoorstel kunnen de vereisten worden afgeleid die de regering voor ogen heeft om een onderneming te compenseren voor een betaalde transitievergoeding. Aan de hand hiervan kunt u al op dit moment met een aantal eenvoudige acties op de komst van de wet anticiperen. Zo kunt u de kans optimaliseren dat u daadwerkelijk compensatie verkrijgt voor betaalde transitievergoedingen tussen 1 juli 2015 en het moment van inwerkingtreding van de wet. Wij helpen u graag bij dit proces.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pesten

Sinds de zelfdodingen van twee kinderen, beide pestslachtoffers, staat pesten hoog op de politieke agenda. Dat betekent niet dat het een nieuw fenomeen is; pesten is al decennia lang een constant aanwezig probleem met ingrijpende gevolgen. Pesten gebeurt meestal in de directe omgeving van het gepeste kind. Kinderen worden bewust buiten de groep gehouden, hun spullen worden afgepakt of ze worden gediscrimineerd. Pesten gebeurt niet alleen in de nabijheid van het gepeste kind, maar ook steeds vaker op online platformen als Facebook, Twitter en Hyves: cyberpesten of digitaal pesten. Lees meer…

Kinderombudsman Marc Dullaert en staatssecretaris Sander Dekker van onderwijs werkten samen aan een plan om pesten op scholen beter aan te pakken. De manier waarop scholen dat doen is niet langer vrijblijvend. In dit plan krijgen scholen de wettelijke plicht om het pesten op een effectieve manier tegen te gaan. Ook krijgen leraren een betere opleiding en bijscholing zodat zij pestgedrag eerder kunnen voorkomen en aanpakken. Maar scholen moesten al lang een veiligheidsplan en een pestprotocol hebben waarin staat hoe zij pesten tegengaan en aanpakken, wat zij onder pesten verstaan, hoe de school dit gedrag signaleert en hoe zij ermee omgaat.

Wat er sindsdien voor publicaties zijn verschenen over pesten, is veelomvattend. Klik maar eens pesten aan op internet, bij ouderorganisaties, bij het ministerie van OC&W, bij onderwijsinstellingen, bij de inspectie. Er zijn methoden te kust en te keur om het pesten tegen te gaan en leerkrachten te ondersteunen. Maar al die methoden zijn niet effectief volgens de bewindslieden!! Er is een pestweb, gefinancierd door het Ministerie, er is een themaweek tegen pesten. Wat is het resultaat? Het pesten is toegenomen. Maar staatssecretaris Dekker van OC&W heeft de oplossing gevonden, er komt nu een wettelijke verplichting om het pesten aan te pakken. Wat heerlijk voor al die kinderen die gepest worden!! Leert Den Haag het nu nooit? Er zijn veel scholen waar het pesten op een goede manier aangepakt wordt en helaas nog veel scholen waar dat niet gebeurt, een wet verandert hier niets aan.

Pesten signaleren en aanpakken blijkt heel moeilijk te zijn, want er wordt nog steeds veel gepest. Sommige onderzoeken spreken zelfs van drie kinderen in iedere groep. Dat kinderen die gepest worden er vaak niet over praten en dat zij niet de hulp durven in te roepen van volwassenen, omdat ze bang zijn dat de situatie erdoor verergert, weten we toch allemaal. Er rust een taboe op het erkennen gepest te worden en er is angst dat het erger wordt. Juist dat moet doorbroken worden, juist de eenzaamheid van die kinderen leidt tot ernstige gevolgen voor hun sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling.

Waarom grijpen leerkrachten in het basisonderwijs in veel gevallen niet in? Omdat zij het niet willen zien of omdat ze het niet zien? Omdat ze niet bekend zijn met de wijze waarop het pesten effectief kan worden aangepakt, ze kennis en vaardigheden missen om het probleem in de groep bespreekbaar te maken? Zal dit gedrag veranderen omdat er nu een wet komt? Ik denk het niet. Het is de verantwoordelijkheid van de school en de leerkracht zelf. Moet de leerkracht om pesten te signaleren bijgeschoold worden? Leren kijken naar kinderen, misschien wordt daar te weinig aandacht aan besteed in de opleiding en kan de leerkracht zich daarin trainen. Het hoort, volgens mij, bij de pedagogische bagage van hem of haar. Een leerkracht met aandacht en belangstelling voor zijn leerlingen moet heel snel in de gaten hebben dat een kind niet lekker in zijn vel zit. Dan is het onmogelijk om te zeggen, ik heb het te druk om daar ook nog aandacht aan te besteden, hoe kan je een ongelukkig kind verder helpen de maatschappij in? Daarbij presteren gepeste kinderen slecht, ze zijn stil, ze zijn angstig, op de achtergrond, zijn snel afgeleid, daar moet je iets mee doen als leerkracht en dat moet je kunnen zonder extra bijscholing, dat is je pedagogische bagage. Helaas zijn er te veel leerkrachten, die de pedagogische bagage missen, die ze nodig hebben om hun functie adequaat te kunnen uitoefenen. Er moet op scholen aandacht zijn voor het feit, dat kinderen het slachtoffer kunnen zijn van pesten en de leerkracht van het kind moet aangesproken kunnen worden op haar/zijn handelen om dat tegen te gaan of te voorkomen. Impliciet valt het zeker onder de pedagogische competenties, die een leerkracht moet hebben, maar wellicht helpt het dit in dat lijstje expliciet te maken zowel m.b.t. onderzoeken, waarnemen en handelen op pesten in de klas/op school.

De kern van de oplossing is dat leerlingen op school, samen met de leerkracht, zelf regels maken over hoe je met elkaar dient om te gaan en dat die regels regelmatig besproken en herhaald worden. Als kinderen zelf regels maken, dan voelen ze zich ook verantwoordelijk om die regels na te leven. Daarnaast is het heel belangrijk dat kinderen die zich niet aan de regels houden aangepakt worden. Als een pester alleen maar ‘sorry’ hoeft te zeggen, zonder dat er verdere consequenties aan verbonden zijn, gaat het pesten vaak onmiddellijk weer door. Een leerkracht ziet misschien maar 10 procent van wat er gebeurt tussen leerlingen. Daarom moeten ze de kinderen zelf verantwoordelijk maken voor die overige negentig procent van de tijd. Naast het slachtoffer en de pester bestaat er altijd een grote middengroep. De middengroep moet gemobiliseerd worden, zodat kinderen stelling durven te nemen tegen pesten en het voor het slachtoffer op nemen.

Ik kreeg een leuk boekje over de ‘ja maar cultuur’ van ons Nederlanders. Ja maar, daar kan ik niet aan beginnen met 35 leerlingen in de klas, ja maar, ik moet al zoveel, ja maar, komt dat nu ook nog op onze schouders, ja maar………….. Laten we daar nu eens mee ophouden en gewoon het pesten aanpakken.

Meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld

Vanaf januari 2013 moeten alle professionals in het onderwijs werken met de Meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld.

Kindermishandeling: de cijfers

Jaarlijks zijn ons land circa 119 duizend kinderen slachtoffer van mishandeling. Zij krijgen te maken met geweld in een afhankelijkheidsrelatie. Dat kan zijn in huiselijke kring, maar ook in een professionele setting zoals een school of zorginstelling of in een vrijwilligerssector (bijvoorbeeld op de sportclub).Eerdere maatregelen tegen kindermishandeling leverden onvoldoende effect op: de aanpak moet daadkrachtiger. Vandaar het nieuwe actieplan. Lees meer…

Actieplan kindermishandeling

Eind 2011 verscheen het Actieplan aanpak kindermishandeling 2012-2016 ‘Kinderen veilig’. Hierin beschrijven de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Veiligheid en Justitie de maatregelen die zij nemen om kindermishandeling daadkrachtiger aan te pakken. Eén maatregel: een verplichte meldcode die ook geldt voor scholen.

Actieplan samengevat

Het Actieplan aanpak kindermishandeling 2012-2016 ‘Kinderen Veilig’ kent drie pijlers:

  • Preventie; snel signaleren en waar nodig opvang en nazorg bieden
  • Daders gericht opsporen en aanpakken
  • Geweld doorbreken dat van generatie op generatie overgaat

Ketenaanpak centraal

Centraal staat de ketenaanpak die gericht is op voorkomen, signaleren, stoppen en beperken van de schadelijke gevolgen van kindermishandeling. Alle betrokken organisaties en instanties moeten beter met elkaar samenwerken.

Gemeenten worden verantwoordelijk voor het jeugdbeleid. Dat geeft meer mogelijkheden om de ketenaanpak van kindermishandeling goed te regisseren. Nu al wordt onder meer via het Centrum voor Jeugd en Gezin zoveel mogelijk opvoedingsondersteuning geboden aan ouders. Inzet op preventie dus.

Scholen: belangrijke vindplaatsen
In de ketenaanpak spelen scholen een belangrijke rol. Scholen zijn immers belangrijke ‘vindplaatsen’ voor kindermishandeling. Leerkrachten en docenten kunnen signalen herkennen en snel actie ondernemen.

Professionals vaak onzeker

Uit onderzoek blijkt echter dat veel professionals onzeker zijn over de te zetten stappen als zij geweld vermoeden. Weten hóe te handelen kan die handelingsverlegenheid wegnemen. Vandaar de meldcode, die in de praktijk echt houvast blijkt te bieden. Mét meldcode trekken collega’s drie keer vaker aan de bel dan zonder. Niet gek dus, dat de meldcode nu ook verplicht wordt in het onderwijs. Dat is ook zo voor professionals in de gezondheidszorg, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning, jeugdzorg en bij justitie.

De meldcode in vogelvlucht

De meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling bestaat uit vijf stappen:

  • In kaart brengen van signalen
  • Overleggen met een collega en eventueel met het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) of het Steunpunt Huiselijk Geweld
  • In gesprek met betrokkenen
  • Wegen van het geweld of kindermishandeling
  • Beslissen: hulp organiseren, melden bij het AMK of Steunpunt Huiselijk Geweld

De meldcode wordt in januari 2013 van kracht. Dan zijn dus alle professionals, die werken met ouders/en of kinderen, verplicht om bij vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld te werken met de meldcode.

Meldcode versus meldplicht

Een verplichte meldcode is iets anders dan een meldplicht. Bij een meldplicht moet je als professional je vermoeden van geweld melden bij andere instanties, bijvoorbeeld bij een Advies- en Meldpunt Kindermishandeling of het Steunpunt Huiselijk Geweld. Die verplichting is er niet bij een meldcode. Die code is in feite een stappenplan dat houvast biedt bij de afweging: wel of niet melden en wat te doen? In het onderwijs geldt wél een meldplicht bij vermoeden van een zedenmisdrijf door een professional.

Een harde duw op het schoolplein

Kinderen: D 6 jaar en B 4 jaar, zitten bij elkaar in de groep. D heeft B een duw gegeven en is in het ziekenhuis beland. Door allerlei omstandigheden is het contact tussen de ouders van de kinderen niet goed gegaan. De vraag van de ouders is: wat is er gebeurd en wie heeft het gedaan?? Door miscommunicatie ontstaan er allerlei misverstanden. Steeds meer ouders van de school gaan zich ermee bemoeien en de directeur van de school schakelt het onderwijsbureau in. Lees meer…

Via Alineen OnderwijsSolutions wordt er een mediator ingeschakeld. Op verzoek van mw. mr. A, adviseur van het onderwijsbureau, zijn de ouders uitgenodigd voor een 1e bijeenkomst bij de mediator.

Waar gingen de gesprekken over?

De ouders bespreken met elkaar en de mediator de volgende onderwerpen:

  • Wat is er gebeurd met B? Zij nemen kennis van ieders visie over de aanleiding en de gevolgen.
    De ouders nemen kennis van elkaars visie en accepteren die. Zij hebben geen behoefte hier verder op in te gaan.
  • Wat zijn de gevolgen voor B? Het gaat nu goed met B, hoewel hij in het begin van het schooljaar nog wel wat stotterde. Maar dat is nu helemaal over.
    Alle ouders tonen zich heel blij dat de gevolgen van de klap en val van B voor B zich positief heeft ontwikkeld naar een volledig herstel.

Ontbreken contact tussen de ouders.

Alle ouders betreuren dat er weinig tot geen onderling contact is geweest over de kwestie. Beide ouderparen hadden dit graag gewild, maar zijn afgegaan op het advies van een derde om dit na de vakantie te doen. Na de vakantie ontstaat er in toenemende mate een verwijdering tussen de ouders. Afspraak: De ouders nemen vanaf nu contact met elkaar op als zij over de kwestie iets horen, hen iets dwars zit etc

Hoe nu verder?

Geen van de ouders acht (aanvullende) begeleiding van de kinderen nodig om tot een goede omgang met elkaar te komen: Niet van de school, niet van een intern begeleider, niet van een orthopedagoog o.i.d.

De andere ouders:  Alle 4 de ouders onderkennen dat er veel gepraat wordt door andere ouders op en rond de school, dus ook over deze kwestie. Op dit moment is het rustig. Er wordt afgesproken dat er geen berichtgeving over de kwestie nodig is, omdat de kwestie thans geen item is. Zij geven hieraan geen enkele voeding (meer) en distantiëren zich ervan als anderen er weer over zouden beginnen.

De mediators zullen zodra er tussen de 4 ouders overeenstemming is over de afspraken aan het onderwijsbureau berichten dat de ouders met elkaar tot goede afspraken zijn gekomen.

Het onderwijsbureau is blij met deze oplossing en de ouders en de school ook. De rust op school is weer terug. Het onderwijsbureau heeft alleen de kosten voor de mediation gehad en heeft geen verdere kosten hoeven maken.